Talenten en beperkingen

Beperking


Elke persoon heeft sterke kanten en mag er zijn, ondanks kleine of grote beperkingen. Vlaanderen maakt werk van een beleid rond gelijke onderwijskansen voor iedereen en een non-discriminatiebeleid. 

We spreken niet langer van een ‘handicap’, al wordt die term nog wel gebruikt in de administratie en regelgeving. We gebruiken liever het woord ‘beperking’.

Ook wanneer je een kind hebt met een slepende ziekte, een verstandelijke beperking, een ernstige fysieke beperking, een ontwikkelingsstoornis of een leerstoornis, wil je als ouder dat het alle kansen krijgt.
Een beperking wordt immers pas een handicap als de omgeving onvoldoende inspanningen doet om tegemoet te komen aan de noden van je kind. Daarom mag je als ouders verwachten dat de familie, de school, de sportclub, de maatschappij … meehelpen en aanpassingen doen die je kind ten goede komen.

 “Een handicap is, kortom, een situatie die ontstaat uit de confrontatie tussen iemands beperking en een onaangepaste omgeving.” Unia 2016, uit de brochure ‘Met een handicap naar de school van je keuze. Redelijke aanpassingen in het onderwijs’. + LINK


Talenten en beperkingen


Iedereen wordt geboren met meer of minder aanleg voor bepaalde zaken. Elke persoon heeft zijn eigen talenten.

Je werkt bijvoorbeeld graag ‘met je handen’ en ziet direct hoe iets in mekaar steekt. Je houdt van talen, of juist niet. Je weet al snel of je al dan niet een rekenknobbel. Je hebt een talent voor tekenen, muziek of een sport waarin je uitblinkt. Maar ook kunnen luisteren naar anderen of hulpvaardig zijn kunnen echte talenten zijn. Daarnaast heeft elke persoon ook imperfecties of mankementen, zaken die minder goed lopen en niet vanzelf gaan.

Geen twee leerlingen zijn gelijk. Elk kind ontwikkelt zich anders. Het onderwijs is de plek bij uitstek waar talenten zich kunnen ontwikkelen. Leerkrachten doen hun best om élke leerling aan te spreken op een manier die ‘binnenkomt’ bij dat kind. Daarom differentiëren ze, wisselen ze af door een verscheidenheid aan oefenmateriaal en werkwijzen te gebruiken. Ze zorgen voor oefeningen voor leerlingen die wat trager of net sneller vorderingen maken. Schoolboeken en methodes zijn daartoe aangepast.

Diversiteit op alle vlakken wordt gezien en meegenomen in de beoordeling van een leerling of zijn vorderingen.

Er wordt afgestapt van het zwart-wit-denken, bijvoorbeeld: wat eens gekend is, zou altijd gekend moeten zijn. Dat klopt niet. Leren gaat in golven. Uiteraard is veel oefening en veel herhaling vereist. Sommige zaken moeten nu eenmaal parate kennis of vaardigheden voor het leven worden.

En dan nog. Denk maar eens wat stress kan doen met mensen. Enkele voorbeelden:

  • Je rijdt je hoogzwangere vrouw naar het ziekenhuis en je negeert - per ongeluk - een rood verkeerslicht, puur uit ongewone spanning.
  • Je kent je leerstof, maar het mondelinge examen snijdt je de adem af.
  • Je schaamt je voor je beperking en vraagt te weinig hulp.

Leerlingen met een beperking hebben hun eigen groeitraject. Hun talenten moeten nog méér dan bij doorsnee leerlingen ingezet worden om de hindernissen van hun beperking te ‘compenseren’.

Daarom is het heel belangrijk om frustraties en onzekerheden bij leerlingen te detecteren, om faalangst (link) te voorkomen. Scholen zetten ook in op het werken rond talenten. Ze houden rekening met karaktereigenschappen en meervoudige intelligentie.